Blootsvoets door de Amazone

Verschenen in: V – Vegan magazine – lente 2010 – nr. 84


Interview met Marc van Roosmalen

Het ene moment word je door Time Magazine uitgeroepen tot ‘Held van de planeet’ en niet lang daarna word je door de Braziliaanse autoriteiten verdacht van bio-piraterij en ben je zowel je Nederlandse als Braziliaanse staatsburgerschap kwijt. Het overkwam de Nederlandse primatoloog Marc Van Roosmalen (MvR), ontdekker van diverse diersoorten in en beschermer van het Amazonewoud. Ten tijde van dit interview zit hij ondergedoken in verband met het conflict over zijn staatsburgerschap. Gelukkig ziet hij wel kans om via e-mail mee te werken aan een interview voor V. Vertrekpunt van het interview is zijn in 2008 uitgebrachte boek Blootsvoets door de Amazone ( Amsterdam, 2008). Ik vroeg hem onder andere naar zijn visie op veganisme, zijn ethische principes en Moeder Natuur.

Plantaardig dieet in evolutionair perspectief
In Blootvoets door de Amazone geeft Van Roosmalen zijn visie op de natuur. Het boek is een resultaat van jarenlang onderzoek in het regenwoud, onder andere naar het voedselpatroon van slingerapen. Gedurende zijn verblijf in het regenwoud eet hij hetzelfde voedsel als deze slingerapen. Zo leeft Van Roosmalen jaren veganistisch, zonder van het woord ‘veganisme’ gehoord te hebben: “Het jarenlang leven in een totaal ongestoorde, ongerepte, niet in het minst door de mens vervuilde natuurlijke omgeving met het beste klimaat op aarde, de puurste lucht om in te ademen, het schoonste water om te drinken en het meest natuurlijke plantaardige voedsel om van te leven hebben bij mij aan den lijve het veganisme doen ontwikkelen, onafhankelijk van de in de westerse samenleving in gang gezette maatschappelijke stroming. Een (overwegend) plantaardige dieet is echter in evolutionair perspectief niet geheel nieuw voor de mens.”

Volgens Van Roosmalen ging het eten van vlees door ons, Homo sapiens, pas plaatsvinden na het toepassen van vuur bij de bereiding van voedsel. Dit omdat ons spijsverteringsstelsel rauw vlees niet goed kan verwerken: “De biologische evolutie (we spreken dan over een biologisch proces van honderden tot duizenden millennia) van onze soort duidt qua gebitskenmerken en locomotie op grote boomlevende (mens)apen als voorouders. Wat onze biologische evolutie betreft zijn wij van oorsprong dus vruchten- en zadeneters of beter alleseters (omnivoren) omdat alle in oerwouden levende frugivore mensapen en apen hun plantaardige dieet seizoensgebonden actief of passief aanvullen met ongewervelde dieren zoals spinnen, insecten (vaak mieren en termieten) of de larven van insecten (zoals vlinders, zaad- en houtkevers).

Onze voorouders zoals Homo habilis die op de struiksavannes leefden vulden dit dieet van voedselverzamelaars nog aan met wortelknollen die zij met houten en stenen werktuigen uitgroeven. Ze bleven alleseters met de nadruk op plantaardig voedsel.

Pas zo’n 60.000 jaar geleden kwam eerst het meedragen van vuur en later het maken van kampvuren en het roosteren van vlees in zwang en werd de jacht geopend op vogels en grote grazers – grasetende hoefdieren. Daarmee verschoof het dieet meer naar dierlijk eiwit in de vorm van gemakkelijker te verteren geroosterd vlees dat minder arbeidsintensief, in grotere hoeveelheden en onafhankelijk van de seizoenen geoogst kon worden.

Vruchtproductie is namelijk overal in de tropen seizoensgebonden waarbij de piek van vruchtdracht en – rijping in de regel samenvalt met de piek van de regentijd. Door al jagend, vissend en plantaardig voedsel verzamelend seizoensgebonden migrerende kudden van hoefdieren te volgen zijn deze mensen zo’n 50-60.000 jaar geleden Afrika uitgetrokken naar noordelijkere streken met een gematigd klimaat en met tijdens de ijstijden strenge winters, waarbij het leven in grotten rond kampvuren en het daarin opslaan van plantaardig voedsel, vis en vlees van essentieel belang was.

Die leefwijze van nomadisch, in grotten overwinterende allesetende jagers/vissers-verzamelaars duurde voort tot rond 10.000 jaar geleden vanuit het Midden-Oosten de landbouw ontstond en zich geleidelijk verspreidde.

Tegelijkertijd en onafhankelijk ontwikkelde landbouw zich in China, langs de oevers van de Nijl, in de Nieuwe Wereld en zelfs geheel onafhankelijk in de geïsoleerde hooglanden van Nieuw-Guinea. Intussen waren in Europa de mammoeten door overbejaging uitgestorven en hetzelfde lot trof grote weerloze en daarom te intensief bejaagde diersoorten in het Neolithicum (de nieuwe steentijd) van Zuid-Amerika en Oost-Azië. Tijdens de Agriculturele Revolutie – wellicht de menselijke innovatie met de meest drastische en dramatische gevolgen voor de andere levensvormen op Aarde – bleven jacht en visserij bestaan als aanvulling op het plantaardige landbouwdieet.

Het jagen-vissen-verzamelen als levensstijl wordt hier en daar op de wereld nog steeds bedreven, zoals door de Aboriginals in Australië, de San (‘bosjesmannen’) in Zuid-Afrika, inheemse Amerikaanse stammen (‘indianen’) en de Inuit (‘eskimo’s) in het Noordpoolgebied. Karakteristiek voor jagers-verzamelaars is dat ze geen planten cultiveren en geen vee houden.”

Calcium
Wat betreft het dieet haalt Van Roosmalen ook een ander, voor veganisten interessant, onderwerp aan. Calcium – volgens de zuivelindustrie nodig voor sterke botten en vooral in melk(producten) aanwezig – is in het Amazonebekken zeer beperkt voorradig. Van Roosmalen heeft nauwelijks botten en schedels kunnen vinden in het regenwoud, omdat deze vrijwel direct worden gerecycled. Hoe komen vruchtenetende dieren zoals slingerapen dan aan hun calcium? Zij drinken immers geen melk en eten ook geen botten. Volgens Van Roosmalen zit er echter voldoende calcium in het grotendeels plantaardige dieet van vruchteneters: “Ook al is het een in de bodem van het tropische regenwoud schaars voorkomend mineraal, er wordt voldoende calcium in de planten gerecycled en als voeding in diverse plantendelen (vooral vruchtpulp en zaden) aangeboden. De in Amazonia van de pulp van de palm Euterpe oleracea gemaakte hoogst energetische drank açaí levert meer calorieën op dan melk, tweemaal zoveel vetzuren en meer calcium, fosfor en ijzer dan melk bevat.” Veganisten die niet beschikken over açaí hoeven echter niet te vrezen. Volgens Van Roosmalen hoeft een welgekozen plantaardig dieet zonder dierlijke eiwitten dat bijvoorbeeld veel groente en peulvruchten bevat, zeker niet tot calciumgebrek te leiden.

Ethische principes
Het doel van wetenschap is het verkrijgen van kennis. Vaak verliezen ethische principes het van de drang naar kennis, denk bijvoorbeeld aan dierproeven. Bij Van Roosmalen is dit echter niet het geval. Hij ontdekte vele nieuwe diersoorten, maar heeft nooit dieren gedood in naam van de wetenschap. Om artikelen hierover te kunnen publiceren heeft hij soms jaren moeten wachten op de natuurlijke dood van de te beschrijven dieren.

Bovendien heeft hij getracht de dieren die hij bestudeerd heeft zo min mogelijk te storen in hun dagelijkse doen. Hij is dan ook kritisch ten aanzien van het wetenschappelijk onderzoek van ethologen zoals Frans de Waal, zowel op methodologisch als op ethisch vlak. Zij doen vaak onderzoek in dierentuinen waar de levensomstandigheden volgens Van Roosmalen niet representatief zijn voor de natuurlijke omgeving: “Zolang er geen alternatief geboden wordt voor de in de vrije natuur minstens 80% van de dag aan foerageren bestede tijd en de niet calculeerbare maar zeker dramatisch ecologisch verarmde en in omvang gereduceerde leefruimte, blijf ik zeggen dat onderzoekers als De Waal een karikatuur van de soort Pan troglodytes bestuderen en hun dierentuingedrag met dat van de urbane mens vergelijken. Zouden zij daaraan analoog de stadsmens van de 21ste eeuw ook als een karikatuur zien van bijvoorbeeld jagers-verzamelaars als de Zoé, Maku, Yanomami en Korubo indianen in het centrale Amazonegebied? Zo ook wordt het promiscue seksuele gedrag van bonobos (dwergchimpansees Pan paniscus), waarbij iedereen het met iedereen ‘doet’ om sociale en individuele conflicten in de kiem te smoren, als een soortspecifieke manier uitgelegd waarop bonobos agressie binnen de groep reduceren en de vrede handhaven. Waar bonobos in de centrale Kongo nog volledig ongestoord (en niet intensief bestudeerd door hordes van primatologen en antropologen) van natuurlijke hulpbronnen (vooral vruchten) leven en het grootste deel van de dag besteden aan het foerageren langs kilometerslange voedselroutes, is tot op heden niets van dit soort (kooi?)gedrag waargenomen. Eenzelfde soort kritiek kan men uiten op het bij volwassen mannetjes van in ecologisch opzicht gestoorde wilde chimpanseepopulaties waargenomen gedrag waarbij in teamverband mannetjes van naburige territoria bejaagd en soms zelfs gedood worden. Omdat chimpanseemannetjes territoriaal zijn en hun vrouwtjes niet, houden ze van tijd tot tijd grenspatrouilles in teamverband, net als zwarte slingerapen. Ingeval daarbij naburige mannen in de buurt van de territoriumgrens opgemerkt worden, kan zich een grensconflict ontvouwen met veel geschreeuw en agressief vertoon over en weer van de denkbeeldige schutting. Zo’n conflict is in de ongestoorde vrije natuur totaal geritualiseerd en er vallen dan ook geen dodelijke slachtoffers noch gewonden bij. Dodelijke slachtoffers blijken soms wel te vallen bij populaties van chimpansees en slingerapen die ecologisch eenzijdig zijn verstoord door intensieve veldstudies of biotoopverlies door houtkap of ontbossing, zoals die van de chimpansees van Gombe – Jane Goodalls studiegebied – en slingerapen in Midden-Amerika.”

Van Roosmalen bekritiseert onderzoekers als Jane Goodall en Dian Fossey daarom ook in zijn boek: “Door te voederen verstoorden deze primatologen het natuurlijke foerageerpatroon van chimpansees respectievelijk gorilla’s. Door zo veel meer vrije tijd te creëren en de sociale contacten tussen alle groepsleden te intensiveren ontstonden er al gauw sociale stress en allerlei conflictsituaties, net als bij sociaal in gevangenschap gehouden kolonies van chimpansees en gorilla’s, waarvan vooral de lichamelijk zwakkere vrouwtjes de dupe werden. Als de onderzoekers niet gestopt waren met voederen dan had dat ongetwijfeld tot moord en doodslag geleid.”

Wat betreft het gevangen houden van dieren in zijn opvang heeft Van Roosmalen zich vanaf de eerste dag dat hij in het Amazonegebied woonde beziggehouden met het opvangen, rehabiliteren en in het wild herintroduceren van weeskinderen van apen en andere zoogdieren, vogels en reptielen. “Daarbij gebruikte ik een minimum aan kooien – in principe maakte ik alleen gebruik van kooien gedurende de periode van quarantaine en introductie in de natuurlijke oerbosomgeving van mijn rehabilitatieprojecten in door de overheid of particulier beschermde bosreservaten.”

Van Roosmalen heeft zijn hele leven allerlei dieren in gevangenschap gehouden en daarbij tenminste bij alle gewervelde dieren die hij hield individuele verschillen waargenomen. Hij spreekt hierbij van verschillende identiteiten of zelfs persoonlijkheden. Hij zegt hierover: “Geen van hen zou ik ooit hebben kunnen doden of opeten. Dat zo opgelopen ‘taboe’ is ook van toepassing op hun in de vrije natuur levende soortgenoten. Zodoende kan ik geen kip, eend of schildpad eten, maar wel zoetwatervis uit de Amazone zolang die niet door overbevissing bedreigd wordt. Geen tonijn want die wordt wel bedreigd. En ook geen in smerige poelen met vergiftigd veevoer (soja!) opgekweekte pisciculturavis, een in en rond Amazonesteden steeds meer in zwang rakend handelswaar.”

Het te verkiezen dieet voor de mens is volgens Van Roosmalen een vegetarisch dieet, eventueel aangevuld met vis en mogelijk ook andere dieren zoals insecten. Hij legt de grens tussen gewervelde en ongewervelde dieren: “Dat heeft alles te maken met de ontwikkeling van het zenuwstelsel van het organisme in kwestie. Dat wil zeggen de pijnbeleving als het organisme doodgemaakt wordt en het bewustzijn van het organisme als het de dood in de ogen kijkt. Ik ben me ervan bewust dat deze ethische benadering wat arbitrair mag klinken. In de Amazone heb ik geleerd zelf vis te doden en op te eten, omdat die voedselbron waar ook maar binnen bereik is, uiterst voedzaam en voor de mens natuurlijk voedsel betekent, maar ook omdat ik bij vissen nooit een angst voor de dood heb kunnen bespeuren. Ik haast me daaraan toe te voegen dat dat natuurlijk een falen van mijn perceptie kan zijn. Zo leg ik de grens voor dierproeven en experimenten op dieren in laboratoria bij ongewervelde dieren. Maar ook daarbij zouden uitzonderingen gemaakt moeten worden, zoals bijvoorbeeld inktvissen en octopussen die qua intelligentie veel hoger ingeschat moeten worden dan veel kleine gewervelde dieren.”

De ethiek van het al dan niet consumeren van dierlijk voedsel is voor Van Roosmalen geheel persoonlijk en zou hij nooit aanwenden om anderen te veroordelen of bekritiseren.

Moeder Natuur is niet altijd wreed
De manier waarop Van Roosmalen de natuur helpt, is bewonderenswaardig te noemen. Het beeld dat ons door documentaires op Discovery Channel of National Geographic wordt voorgehouden laat echter zien hoe meedogenloos Moeder Natuur zelf kan zijn. Geen dier sterft van ouderdom, de dood ligt overal op de loer en wanneer je niet snel genoeg meer bent, zul je gedood worden. Dit beeld dat neergezet wordt herkent Van Roosmalen echter niet.

Op plaatsen die totaal door de mens met rust gelaten worden, sterven volgens hem dieren (ook) van ouderdom. We hebben het hier dan over sociaal in de bomen levende vogels en zoogdieren en roofdieren die aan de top van de voedselpiramide staan. Bovendien is de natuur minder wreed dan op tv wordt voorgesteld, aldus Van Roosmalen:

“Ik heb een groot deel van mijn leven als objectieve waarnemer in de ongestoorde natuur van het oerwoud doorgebracht. Ik ben gedurende al die tijd slechts bij enkele, op de vingers van een hand te tellen incidenten getuige geweest van een succesvolle predatie. Dat ging altijd zo snel dat het slachtoffer geen pijn leek te lijden en ook niet de tijd gegeven was de dood in de ogen te kijken. Hoe hebben cineasten het bij het maken van die natuurdocumentaires dan toch voor elkaar gekregen predatiescènes in het vrije veld te filmen – in hun betrekkelijk korte want o zo kostbare tijd, een zware filmuitrusting meetorsend, gebruikmakend van kolossale statieven, et cetera – zonder dieronvriendelijke en dus onethische methoden aan te wenden? Zoals gekooid in een met planten en camouflagenetten nagebootste natuurlijke omgeving roof- en prooidieren met elkaar te confronteren. Sterke staaltjes van deze in scène gezette beelden zijn te lezen in mijn boek Tropenkolder.”

Geen hoop voor het Amazonegebied
Een belangrijk deel van het boek Blootsvoets door de Amazone richt zich op de verwoesting van het Amazonegebied die nog steeds gaande is. Zelfs het FSC gecertificeerde hout kan volgens Van Roosmalen niet duurzaam genoemd worden: “Vanuit een ecologisch standpunt gezien mag de door de FSC voorgestane vorm van selectieve houtkap nooit duurzaam genoemd worden vanwege het ontbreken van de meest fundamentele kennis van de ecologie van een primair tropisch regenwoud – dat wil zeggen de ontelbare intrinsieke relaties tussen de planten en de in het oerbos levende dieren. Men weet gewoon niet wat men doet, wat men met dit soort ingrijpen teweeg brengt.” Zijn kritiek richt zich ook op de praktische kanten van het proces waarlangs duurzaam genoemde FSC-certificering tot stand komt, vanaf het omkappen van een boom tot de export van het hout. Een keten van corrupte organisaties maakt het mogelijk om het oerwoud te vernietigen ondanks het FSC-keurmerk. Niet alleen de lokale houtkapbedrijven en ambtenaren, maar zelfs grote (internationale) organisaties als het WWF, Greenpeace en Rainforest Action Network (RAN), kijken volgens Van Roosmalen bewust de andere kant op. Deze organisaties zouden het voorbeeld van Friends of the Earth moeten volgen en niet langer de FSC-standaard moeten aanbevelen.

Wat kunnen we dan doen om een bijdrage te leveren aan het behoud van het Amazonewoud? “Uit Brazilië geïmporteerde niet duurzaam gewonnen producten boycotten, met name en op de eerste plaats sojaproducten (voedt zowat de hele Westerse dieronvriendelijke bio-industrie), alcohol (gemaakt van suikerriet), leer (tassen, schoenen, horlogebandjes, et cetera), bakolie (oliepalmplantages), hout al dan niet met FSC-keurmerk…”

Toch heeft Van Roosmalen weinig hoop op verbetering. Op de vraag hoe hij de toekomst van het Amazonewoud ziet, antwoordt hij kortweg: “geen”.

Dit artikel is een samenvatting van het interview dat Rick Scholtes hield met Marc van Roosmalen. Het gehele interview is terug te lezen op http://www.veganisme.org/v/marcvanroosmalen.php . Hier is onder andere de veel uitgebreidere kritiek van Van Roosmalen op de FSC-certificering te lezen.